Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR2689

Datum uitspraak2004-09-15
Datum gepubliceerd2004-09-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/177 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Arbeidsovereenkomst naar Belgisch recht. In dadingsovereenkomst is opzegtermijn en opzegvergoeding overeengekomen. Bepaling van fictieve opzegtermijn.


Uitspraak

03/177 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam, reg.nr. WW 01/2880, op 5 december 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr. M.B. Tol, medewerker bij het Gereformeerd Maatschappelijk Verbond, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 mei 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.J.J. Loontjens en mr. F.W.M. Keunen, beiden werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde is verschenen bij mr. Tol, voornoemd. II. MOTIVERING 1. Gedaagde, woonachtig in Nederland, is op 1 april 1994 in dienst getreden van de in Antwerpen gevestigde werkgever [werkgever]. (hierna: werkgever). De arbeidsovereenkomst werd beheerst door Belgisch recht. In verband met de beëindiging van de commerciële activiteiten heeft de werkgever op 16 mei 2001 de arbeidsovereenkomst per die datum beëindigd. In verband daarmee zijn de werkgever en gedaagde in een zogenoemde dadingsovereenkomst onder meer overeengekomen dat de opzegtermijn waarop de gedaagde recht heeft gelijk is aan 10 maanden en dat de werkgever aan gedaagde een opzegvergoeding van netto 1.259.519 BFR zal betalen. 2. Gedaagde heeft op 28 mei 2001 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW) aangevraagd. Het besluit van 6 augustus 2001 komt hierop neer dat appellant de vergoeding die door de werkgever moet worden betaald, de zogenoemde verbrekingsvergoeding, met toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW aangemerkt als loon, zodat gedaagde over de periode van 10 maanden, derhalve tot en met 17 maart 2002 geen recht heeft op WW-uitkering. 3. Bij het thans bestreden besluit van 26 november 2001 heeft appellant dat standpunt gehandhaafd. Daartoe heeft hij onder meer overwogen dat de arbeidsovereenkomst door de dadingsovereenkomst met wederzijds goedvinden met ingang van 17 mei 2001 is verbroken. Volgens appellant is daarbij een vergoeding, overeenkomend met een opzegtermijn van 10 maanden overeengekomen en is die verbrekingsvergoeding gebaseerd op een fictieve opzegtermijn van 10 maanden. Appellant verwijst daarvoor naar het zogenoemde E301-formulier dat meldt dat gedaagde op grond van de verbrekingsvergoeding nog verzekerd blijft tot en met 16 maart 2002. 4. Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat met de tekst van artikel 16, derde lid, van de WW, waarin de ‘rechtens geldende termijn’ is omschreven als de ‘de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 7:672, Burgerlijk Wetboek (BW) ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen’ niet verenigbaar is dat daaronder tevens moet worden begrepen dat voor een werknemer, die zijn arbeid in het buitenland heeft verricht en in Nederland een beroep doet op de WW, bij de bepaling van de in dat geval geldende termijn, aansluiting moet worden gezocht bij de door partijen (naar buitenlands recht) overeengekomen opzegtermijn. De rechtbank heeft op die grond het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift van gedaagde neemt. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten. 5.1. Appellant acht artikel 16, derde lid, van de WW van overeenkomstige toepassing op een situatie waarin een werkgever een Belgische verbrekingsvergoeding verschuldigd is in verband met een opzegging zonder inachtneming van de opzegtermijn. Appellant maakt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 16, derde lid, van de WW op dat bij de redactie van deze bepaling alleen is gedacht aan het toepasselijke Nederlandse arbeidsrecht. Het is daarom naar de mening van appellant aangewezen om aansluiting te zoeken bij de bedoeling van de wetgever. In dat verband verwijst appellant naar een passage uit de Memorie van Toelichting bij de Wet van 14 mei 1998 houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en van enige andere wetten (Flexibiliteit en zekerheid), 25 263, 3, blz. 37, waarin wordt gesteld: ‘Het gedeelte van de inkomsten in verband met beëindiging, overeenkomende met het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking met inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen zou zijn geëindigd, wordt beschouwd als loon. Als gevolg daarvan ontstaat geen recht op werkloosheidsuitkering over de periode waarop dat loon betrekking zou hebben gehad, indien de dienstbetrekking nog had bestaan.’ 5.2. Appellant wijst er voorts op dat de aanspraak op de Nederlandse WW alleen kan ontstaan met toepassing van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: de Verordening). Appellant stelt dat artikel 16, derde lid, van de WW moet worden gelezen in het licht van het EG-recht en dat naar EG-recht voor de opzegtermijnen uit artikel 16, derde lid, van de WW, hoewel daarin uitsluitend wordt verwezen naar opzegtermijnen naar nationaal recht, de termijnen uit het Belgische arbeidsrecht in de plaats komen. Daarvoor verwijst appellant naar de parallel met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG) inzake de toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen ingevolge artikel 12 van de Verordening. Onder verwijzing naar een aantal arresten van het HvJEG stelt appellant dat een voordeel dat aan de Verordening is ontleend, door dezelfde Verordening mag worden beperkt, waarbij appellant kennelijk doelt op bepaalde cumulerende effecten. Ter ondersteuning daarvan verwijst appellant naar het leerstuk van de gelijkstelling van feiten, gebeurtenissen en omstandigheden die zich op het grondgebied van een andere Lid-Staat hebben voorgedaan respectievelijk inkomsten en uitkeringen op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat verworven. 6. Namens gedaagde is onder meer gesteld dat op grond van artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder ii, van de Verordening Nederlands recht moet worden toegepast en niet onderdelen van het Belgische recht terzake van ontslag en werkloosheid. Volgens gedaagde dient de aanspraak op een WW-uitkering te worden opgeschort voor zover de ontslagvergoeding leidt tot een fictieve opzegtermijn binnen het kader van artikel 7:672 van het BW. Ontslagvergoedingen die, zoals de onderhavige, dat kader te boven gaan, leiden dan ook niet tot een verdere opschorting van de WW-uitkering. Gedaagde heeft er voorts op doen wijzen dat de overeengekomen vergoeding uit de dadingsovereenkomst van tien maanden salaris slechts betrekking hadden op het voorkomen van rechtsgeschillen over de hoogte van de afkoopsom, en dat deze overeenkomst niet de grondslag verandert van de beëindiging van eenzijdige opzegging in een ontslag met wederzijds goedvinden. Tenslotte is aangegeven dat de te hanteren fictieve opzegtermijn een of twee maanden dient te bedragen. Gedaagde meent dat er aanleiding is om de fictieve opzegtermijn te bepalen als ware de arbeidsovereenkomst ontbonden door de rechter. 7. De Raad overweegt als volgt. 7.1. Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW stelt als een van de vereisten voor het ontstaan van werkloosheid dat de werknemer het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over zijn verloren arbeidsuren heeft verloren. Artikel 16, derde lid, van de WW, voor zover hier van belang, luidt (sedert 1 januari 2001) als volgt: Met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. (...) Onder de rechtens geldende termijn, bedoeld in de eerste zin, wordt verstaan de termijn die de werkgever (..) op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 94 tot en met 97 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling (..) bij opzegging in acht behoort te nemen. 7.2. De Raad verwijst allereerst naar de in zijn uitspraak van 28 maart 2001, gepubliceerd in JAR 2001/67, USZ 2001/106 en RSV 2001/122, omschreven uitgangspunten voor de uitleg van artikel 16, derde lid, van de WW, waarbij de Raad tot de slotsom is gekomen dat bij de reikwijdte van de interpretatie van artikel 16, derde lid, van de WW doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de bewoordingen van die bepaling en dient te worden voorbijgegaan aan eventuele niet in de tekst daarvan tot uitdrukking komende bedoelingen van de wetgever. Die uitgangspunten acht de Raad ook voor het onderhavige geval maatgevend. 7.3. Met artikel 16, derde lid, van de WW heeft de wetgever een regeling in het leven geroepen waarbij met behulp van (fictief loon gedurende) een fictieve opzegtermijn de eerste werkloosheidsdag wordt bepaald. De wetgever heeft er voorts niet mee volstaan te verwijzen naar de in geval van opzegging in acht te nemen ‘rechtens geldende termijn’, maar heeft het nodig geacht die termijn te definiëren als de termijnen die de werkgever en de werknemer op grond van artikel 7:672 van het BW ieder voor zich in acht behoort te nemen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt bovendien dat de wetgever heeft beoogd deze termijnen voor de berekening van de lengte van de fictieve opzegtermijn bepalend te doen zijn. De tekst van dat artikelonderdeel komt dan ook geheel overeen met de bedoeling van de wetgever. Evident is - zoals ook door appellant is aangegeven - dat de wetgever daarbij geen, en ook niet bij de aanvulling van artikel 16, derde lid, van de WW per 1 januari 2001 in verband met de zogenoemde Aanpassingswet OOW, aandacht heeft gehad voor het feit dat er werknemers zijn die ingevolge Europees recht zijn verzekerd voor de Nederlandse werknemersverzekeringen, terwijl hun arbeidsovereenkomst wordt beheerst door de bepalingen van vreemd recht. Gelet echter op de nauwkeurige definiëring van de rechtens geldende opzegtermijn die alleen verwijst naar artikel 7:672 van het BW, kan dat niet meebrengen dat de derde volzin van dat artikel ook zo gelezen zou kunnen worden dat daaronder ook de opzeggingstermijnen uit vreemd arbeidsrecht zouden moeten worden verstaan. Voor de door appellant voorgestane interpretatie die er toe zou moeten leiden dat voor het zinsdeel ‘artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek’ niet alleen, zoals in casu, zou moeten worden gelezen ’59, 82, 83, 84 en 115 van de Arbeidsovereenkomstenwet’, maar tevens iedere andere bepaling van nationaal recht van een Lid-Staat, biedt de betreffende zinsnede geen ruimte. De Raad merkt voorts nog op dat appellant met het beroep op de strekking van de onderhavige regeling van de fictieve opzegtermijn ter bepaling van de eerste werkloosheidsdag, miskent dat bij deze regeling uitgangspunt is geweest die dag op gelijke wijze te bepalen bij de verschillende wijzen van beëindiging van de dienstbetrekking en dat een rechtsfiguur waarbij, zoals in casu, de opzegtermijn eerst bij onderhandeling in het kader van een vaststaande beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt overeengekomen en vervolgens in essentie slechts dient ter bepaling van de hoogte van de verbrekingsvergoeding, in het Nederlandse arbeidsrecht in die vorm niet bekend is. 7.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de Raad het oordeel van de rechtbank onderschrijft en het door appellant in het bestreden besluit ingenomen standpunt onjuist acht. 8. Ten aanzien van het standpunt van appellant dat er op neer komt dat onder toepassing van het Europees recht in casu de uit het Belgische arbeidsrecht voortvloeiende opzegtermijnen dienen te worden toegepast, overweegt de Raad als volgt. 8.1. Appellant heeft zich ter ondersteuning van deze stelling beroepen op artikel 12 van de Verordening alsmede op de zijns inziens uit de jurisprudentie van het HvJEG voortvloeiende regel op grond waarvan rekening moet worden gehouden met feiten of gebeurtenissen in een andere Lid-Staat alsof deze op het grondgebied van de tot uitkering bevoegde Lid-Staat hebben plaatsgevonden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. 8.2. Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde zijn recht op een uitkering terzake van zijn werkloosheid op grond van artikel 71, eerste lid, aanhef en onder a, ii, van de Verordening ontleent aan het Nederlands recht. Dit betekent niet alleen dat de Nederlandse Werkloosheidswet van toepassing is, maar ook dat gedaagde geen aanspraak heeft op een werkloosheidsuitkering naar Belgisch recht. Er is dan ook geen sprake van dat gedaagde zijn recht op een werkloosheidsuitkering zowel in Nederland als in België geldend zou kunnen maken. De Raad stelt dan ook vast dat artikel 12, eerste lid, van de Verordening voor de beslechting van het onderhavige geschil niet van belang is. 8.3. De Raad is voorts van oordeel dat aan artikel 12, tweede lid, van de Verordening in het onderhavige geval geen (rechtstreekse) betekenis toekomt. Artikel 16, derde lid, van de WW bevat immers geen bepaling inzake schorsing, vermindering of intrekking van de werkloosheidsuitkering wegens samenloop met andere inkomsten, maar strekt ertoe het moment van intreden van het verzekerd risico vast te stellen. Ook overigens bevat de WW, naar ter zitting van de Raad namens appellant is erkend, geen anticumulatie-bepaling die op een situatie als de onderhavige ziet. Dat artikel 46, §1, aanhef en ten 5°, van de Belgische Werkloosheidsreglementering de ontvangen verbrekingsvergoeding gelijk stelt met loon, zodat gedaagde naar Belgisch recht eerst per 19 oktober 1999 in aanmerking zou komen voor een werkloosheidsuitkering, speelt in dit verband geen rol nu, zoals uit het vorenstaande blijkt, niet de Belgische maar de Nederlandse werkloosheidswetgeving van toepassing is. 8.4. Ook anderszins is naar het oordeel van de Raad in de Verordening geen voorschrift aan te wijzen dat expliciet ziet op een situatie als de onderhavige dan wel tot toepassing van opzegtermijnen anders dan de Nederlandse zou nopen. 8.5. De door appellant aangehaalde jurisprudentie kan, voorzover deze betrekking heeft op de interpretatie van artikel 12 van Verordening, de Raad reeds hierom niet overtuigen van de juistheid van het standpunt van appellant, omdat deze bepaling in het onderhavige geval niet van toepassing is. Ten aanzien van de overige door appellant aangehaalde jurisprudentie onderkent de Raad dat het Europese Hof van Justitie in diverse arresten heeft geoordeeld dat een Lid-Staat een gebeurtenis in een andere Lid-Staat gelijk diende te stellen met dezelfde gebeurtenis in de eigen Lid-Staat. Het ging daarbij echter steeds om een gelijkstelling ten voordele van de belanghebbende in situaties waarin het achterwege laten van gelijkstelling een belemmering zou opleveren van een van de fundamentele verdragsvrijheden dan wel een indirecte discriminatie naar nationaliteit. Een dergelijke belemmering of indirecte discriminatie is in het onderhavige geval niet aan de orde, terwijl de voorgestane gelijkstelling integendeel juist in het nadeel van gedaagde zou werken. Naar het oordeel van de Raad is een dergelijk effect in het onderhavige geval niet in overeenstemming met de bedoeling van de Verordening. Daaraan doet niet af dat, zoals hiervoor onder 8.2. werd vastgesteld, de aanspraak op WW-uitkering slechts kon ontstaan met toepassing van de Verordening. Van een aanvullend voordeel dat op grond van de Verordening zou mogen worden verminderd ten opzichte van het voordeel waarop betrokkene naar zuiver nationaal recht aanspraak zou kunnen maken indien hij aan alle vereisten voor het ontstaan van een intern recht zou voldoen, is naar het oordeel van de Raad dan ook geen sprake. 8.6. De Raad ziet dan ook bij de huidige stand van het recht noch in de Verordening noch in de jurisprudentie van het HvJEG een reden om ten aanzien van de vaststelling van de rechtens geldende termijn waarop de dienstbetrekking zou zijn geëindigd een andere termijn te hanteren dan die uit artikel 7:672 BW voortvloeit. 9. Met betrekking tot de toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW in het geval van gedaagde, overweegt de Raad het volgende. 9.1. Naar het oordeel van de Raad is de arbeidsovereenkomst door opzegging door de werkgever op 16 mei 2001 beëindigd. De op diezelfde dag overeengekomen ‘dadingsovereenkomst’ merkt de Raad niet aan als een regeling aangaande een ontslag met wederzijds goedvinden, maar als een regeling van de vergoeding waartoe de werkgever in het kader van het Belgische arbeidsovereenkomstenrecht gehouden was. De Raad verwerpt eveneens het standpunt van gedaagde dat hier moet worden uitgegaan van artikel 16, derde lid, onder b, van de WW; van rechterlijke ontbinding is immers geen sprake. 9.2. Gelet op de datum van opzegging, te weten 16 mei 2001, een dienstverband van langer dan vijf en korter dan tien jaar en de dag waartegen kan worden opgezegd, dient het einde van de fictieve opzegtermijn te worden gesteld op 31 juli 2001. 10. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. 10.1. De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de aan de zijde van gedaagde gevallen kosten in hoger beroep, begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Veroordeelt appellant in de kosten van gedaagde begroot op € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Gelast dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht wordt geheven ten bedrage van € 409,--. Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. H.T. van der Meer als leden, in tegenwoordigheid van S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 september 2004. (get.) M.A. Hoogeveen (get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning